Van het gebruik van de computer in de geschiedwetenschap tot digitale geschiedenis.

In 1985 was ik als student was ik in Nijmegen betrokken bij de organisatie van een studiemiddag over het gebruik van de computer in de geschiedwetenschap. Voor de meeste aanwezigen en ook voor mijzelf, wat het een eerste blik wat computergebruik kon bieden voor het historisch onderzoek. De lezingen van o.m. Leen Breure en Onno Boonstra waren vooral methodisch van aard. Wat ik mij nog van de middag herinner hoe deze computerpioniers ons wezen op nieuwe mogelijkheden, met name door het gebruik van databases. De focus lag vooral op digitale hulpmiddelen, waarmee met name historici die kwantitatief onderzoek deden hun voordeel konden doen. Voor kwalitatief onderzoek bleven de mogelijkheden vooralsnog beperkt. De lezingen werden door ons verwerkt in een bundel onder de titel ‘Trend of toekomst’, die enige tijd gebruikt werd tijdens de colleges van Boonstra.
Voor de meeste studenten zou de digitalisering van het vak zich vooralsnog uitstrekken tot de beginfase en de eindfase van het onderzoek. De bibliotheekcatalogi werden in een rap tempo gedigitaliseerd, waarna de aanvraagbriefjes vervangen werden door aanvragen via het lokale netwerk van de bibliotheek. Anderzijds werd de typemachine vervangen door de computer voor het uittikken van de scriptie. Zelf ging ik daarvoor op geregelde tijden naar een computerzaaltje op de universiteit om de geschreven hoofdstukken over te tikken om uiteindelijk de scriptie op een matrixprinter uit te draaien. Voor het gebruik van de computer tijdens de onderzoeksfase zelf waren voor de meeste studenten de technische en financiële middelen nog niet voorhanden. Archiefonderzoek betekende nog met pen en papier (bijvoorbeeld met fiches) aantekeningen maken in de studiezaal om het later te verwerken in een tekst.

Hiermee werkte ik in 1987 mijn doctoraalscriptie uit….

Ook al hadden veel historici geen focus op ‘digital humanities’, toch zijn we in de loop van de tijd flink opgeschoven. Er kan geen boek of archiefstuk meer worden aangevraagd zonder het gebruik van een computer en alleen een ex-crimineel kon tot voor kort zijn column nog geschreven aanleveren bij de Nieuwe Revu.  Afgezien van een korte zoekactie waarvoor een notitieblokje volstaat, komt iedereen tegenwoordig met een laptop naar het archief en maakt foto’s van de relevante archiefstukken. Veel informatie (literatuur, bronnen maar ook losse data ) zijn raadpleegbaar via internet en ook de presentatiemogelijkheden worden steeds diverser. We zijn steeds minder afhankelijk van het oordeel van uitgevers of tijdschriftredacties om onze onderzoeksresultaten gepubliceerd te krijgen. Een weblog, zoals dit is natuurlijk ook een mogelijkheid.
Zoals tijdens de eerste cursusmiddag is gesteld moeten we ‘digitale geschiedenis’ niet beschouwen als een nieuwe (of vernieuwde) subdiscipline van ons vak. Het gaat veeleer om het integreren van nieuwe media en digitale technieken met het traditionele historisch onderzoek (vergelijk Digital Humanities, where to start). Om onszelf en ons vak vooruit te brengen zullen we dus meer gebruik moeten maken van digitale bronnen en media (niet alleen schriftelijk, maar ook geluidsfragmenten, beelden en video’s), diverse nieuwe onderzoeksmethoden en diverse presentatiemogelijkheden.  Wat er nog meer kan, staat op het programma van de cursus ‘digitaal historisch onderzoek’, die ik momenteel volg. Nieuwe (digitale) verschijningsvormen van bestaand onderzoeksmateriaal maakt reeds nieuw onderzoek mogelijk.

Het genoemde artikel ‘Digital Humanities, where to start’, bevat een overzicht van uiteenlopende websites van instellingen, projecten, hulpmiddelen en methoden voor digitaal onderzoek en het digitaal presenteren van teksten. Eén van de sites is van het Text Encoding Initiative (TEI). Deze richt zich op het standaardiseren van teksten in digitale vorm. De website www.tei-c.org biedt een overzicht van hulpmiddelen (zoals bv. voor het gebruik van XML), maar ook een overzicht aan literatuur, aangesloten projecten en beschikbare software. Bij de projecten kon ik echter slechts twee Nederlandse projecten ontdekken, namelijk de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (www.dbnl.org) en de digitale brievenproject van Vincent van Gogh (http://vangoghletters.org) van het Huygens ING.
In de digitale wereld is standaardisatie natuurlijk hard nodig om digitale producten ook in de toekomst bruikbaar te houden. Vooral oudere onderzoekers weten wel wat er gebeurd is met de standaarden waarmee zij twintig jaar geleden werkten. Wie kan er nu nog overweg met een manuscript geschreven in WP 5.1 en wat is opgeslagen op 3,5 inch floppy’s??? Wie garandeert mij dat de digitale producten die we nu op het web zetten over 10 jaar nog vindbaar c.q. bruikbaar zijn???

Mari Smits, Huygens ING

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s