“Gelukkig heeft de heerschende griepepidemie nogal een goedaardig karakter.”

Aldus omschreef minister Piet Aalberse op 19 januari 1922 in zijn dagboek de griepgolf die ook hem had getroffen. Anders was het gesteld met de Spaanse griep, die eind 1918 rondwaarde en wereldwijd tientallen miljoenen doden kostte, waarvan circa 27.000 in Nederland. Hoewel de winter hopelijk eindelijk voorbij is en de daarmee ook de griep, is interessant eens te gaan wat eerdere griepgolven hebben nagelaten in de bronnen en naslagwerken.

Personen die overleden zijn aan de gevolgen van de Spaanse griep treffen we nauwelijks aan in het Biografisch Woordenboek van Nederland (BWN). Enkel Anna Reynvaan, een bejaarde ziekenverpleegster en oud-directrice van het Amsterdamse Buitengasthuis zou in maart 1920 hieraan overleden zijn. De vrouw van de antropoloog Herman ten Kate overleed in 1919 in Japan aan de griep, waarna hij terugkeerde naar Europa. Hij vond onderdak bij zijn zus in Zwitserland, maar ook zij zou in 1920 komen te overlijden. Of zij ook een griep-slachtoffer was, meldt het woordenboek niet.

Voor anderen was de Spaanse griep weliswaar niet dodelijk maar had de ziekte wel grote gevolgen. De arts Joseph Beckers zag zich na 1918, nadat hij genezen was, genoodzaakt zijn praktijk te matigen en kon zich volledig gaan toeleggen op zijn liefhebberij: de natuur. Hij werd in Limburg een bekend natuuronderzoeker en amateur-archeoloog. De moeder van de jurist Hugo en de politicus Ivo Samkalden Debora de Beer herstelde geestelijk niet meer van de Spaanse griep. Vanaf 1918 was zij opgenomen in psychiatrische inrichtingen, alwaar zij in 1927 overleed.

Het bekendste dodelijke griepgeval in de BWN is zonder meer de minister van Waterstaat in het tweede kabinet-Colijn Jacob Kalff. Hij overleed in januari 1935 aan de gevolgen van een griep met longontsteking.

aalberseDe katholieke politicus Piet Aalberse was als minister van Arbeid in het eerste twee kabinetten-Ruijs de Beerenbrouck (1918-1925) vooral beleidsmatig betrokken bij de Spaanse griep. Op 1 november 1918 schreef hij in zijn dagboek over de opvang van Franse en Belgische militairen. Opname van nog meer militairen zou een groot gevaar kunnen zijn voor de volksgezondheid. “De toestand is toch al slecht: de Spaansche griep woedt overal en eischt vele slachtoffers. Ook typhus en roodvonk breiden zich uit.” Met Frankrijk moest onderhandeld worden om de vluchtelingen zo spoedig mogelijk te kunnen afvoeren. Vijf dagen later had Aalberse een onderhoud met enkele medici, die hem met het oog op de griep adviseerden het broodrantsoen te verhogen. De ministerraad ging hiermee direct akkoord. 1920 besloot hij het overkomen van Oostenrijkse en Hongaarse kinderen stop te zetten en daarvoor in de plaats levensmiddelen naar die landen te sturen. Aalberse: “In Haarlem heb ik honderd Hongaarsche kinderen in een school moeten opsluiten: ze hadden zes dagen en nachten in de trein gezeten; bij aankomst bleken er drie aan roodvonk te lijden; thans hebben vijftig al deze ziekte. Ook andere ziekten komen voor. Vooral ook nu de Spaansche griep in ons land weer sterk toeneemt, zijn we niet verantwoord al deze kinderen bij duizenden in ons land te laten komen.” (dagboekaantekening 5 maart 1920).

Zelf werd Aalberse in januari 1922 getroffen door de griep. Op 19 januari schreef hij in zij dagboek: “k Ben weer niet lekker. Gisterenochtend stond ik op met wat keelpijn. Den geheelen dag moest ik veel praten. (…) Ik kwam doodmoe van ’t hoesten thuis. Mijn geheele borst en rug deden pijn. Vandaag ben ik er in gebleven. ’t Is al beter, maar ik heb nu  ook zoo goed als niet gepraat. Ik hoop dat ’t geen griep is. Ik ben vreeselijk bang voor longontsteking. Ik heb altijd ’t idee gehad dat dáár mijn eindje lag. Gelukkig heeft de heerschende griepepidemie nogal een goedaardig karakter. Maar ’t is wel zonderling dat zij weer over geheel Europa heerscht.” Aalberse was niet de enige. Ook zijn Duitse huishoudster werd ziek en op zijn departement was maar liefst 20 procent van de ambtenaren afwezig.

Van inenten was in die tijd nog geen sprake. Toen Aalberse in februari 1939 opnieuw door de griep werd gevloerd schreef zijn arts hem kinine voor en tabletten met vitamine C. Uitzieken was vooralsnog de enige remedie.

De dagboeken van Aalberse zijn te lezen op historici.nl. Dit artikel is eerder verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s